Terug naar overzicht
Marijke van Veenen Marijke van Veenen
± min

Aansprakelijkheid kledingwinkel voor ongeluk met roltrap

De ouders, wiens kind ernstig letsel heeft opgelopen op een roltrap van een kledingwinkel, krijgen schadevergoeding toegewezen van de rechter. Hoewel Arbo-conform voldeed de roltrap toch niet aan de wettelijke eisen.

In oktober 1998 raakt de vijfjarige Bastian in een winkel bekneld tussen de bewegende leuning van een roltrap en de vloer van het pand. De winkel verkoopt onder meer kinderschoenen en kinderkleding. Het kind loopt ernstig letsel op. Het heeft zes ribben gebroken, er is bloedstolsel gekomen tussen de vliezen nabij de milt, de nieren en urinewegen zijn blijvend beschadigd, de beenspieren zijn beschadigd en er is een leverbeschadiging opgetreden.
­
De ouders vorderen schadevergoeding. Die wordt door de rechtbank toegewezen en de winkel gaat in beroep. Volgens de Arbeidsinspectie voldeed de roltrap aan de Arbowet, de Wet op de Gevaarlijke Werktuigen en NEN-EN 115. Wel is de Europese Commissie ingelicht dat de betreffende normen en veiligheidsvoorschriften niet voldoen.
­
Het hof stelt vast dat de roltrap wordt gebruikt in de uitoefening van het winkelbedrijf, zodat die als bezitter van de roltrap kan worden aangemerkt. Die bezitter is aansprakelijk als komt vast te staan dat de roltrap niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Dat staat los van het feit of de roltrap voldeed aan alle wettelijke voorschriften, omdat het hier om een risicoaansprakelijkheid van de opstalbezitter gaat.

Een roltrap bestaat uit mechanisch beweegbare delen en brengt een risico van naar binnen trekken, klemraken en verbrijzelen met zich mee. Die risico's blijken in algemene zin uit de lijst met gevaren van NEN-EN 115. Maar uit het ongevalsrapport van de Arbeidsinspectie blijkt dat bij het opstellen van die veiligheidsnormen niet is voorzien dat een kind liggend onder de bewegende roltrapleuning en de vloer beklemd kan raken, ook al voldoet de afstand van de leuningband tot de vloer aan de voorgeschreven normen. In de winkel worden kleding en schoeisel verkocht, ook voor kinderen, zodat de aanwezigheid van (jonge) kinderen een gegeven is. De roltrap moet zodanig zijn, dat bezoekers en kinderen daarvan veilig gebruik kunnen maken. Dit is niet het geval gebleken.
­
De conclusie is dan ook dat de roltrap niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. Ook al was de onveiligheid van de roltrap onbekend en het ongeval niet te voorzien voor de bezitter, dan nog geldt die aansprakelijk op grond van art. 6:174 BW. Het gaat immers om een kwalitatieve aansprakelijkheid voor gevallen waarin een opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan vanuit het oogpunt van veiligheid mag stellen. Het hof verwerpt het hoger beroep.

Bijlagen:

[ Bron: Arbo Online ]