Terug naar overzicht
Marijke van Veenen Marijke van Veenen
± min

Wanneer recht op smartengeld volgens de wet ?

Artikel 6:106 BW geeft de wettelijke grondslag voor de gevallen waarin het mogelijk is een vergoeding van de immateriële schade toe te kennen. Dit artikel luidt:

Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

  • a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk (de bedoeling) had zodanig nadeel toe te brengen;
  • b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
  • c. (…) aantasting van de nagedachtenis van een overledene (…).

Van deze opsomming is het lichamelijk letsel de voornaamste oorzaak voor de vergoeding van immateriële schade. Hieronder valt niet alleen een verwonding die van buiten het lichaam komt, maar bijvoorbeeld ook een verwonding in de zin van beschadiging van weefsel door besmetting en ziekte of door niet tijdig medisch ingrijpen.

Naast lichamelijk letsel wordt ook psychisch letsel aanvaard als oorzaak om voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking te komen. Het betreft hier dan over het algemeen psychische schade als gevolg van een bepaalde, traumatische, gebeurtenis (bijv. ontucht of verkrachting, het meemaken van een ernstig ongeval). Deze psychische schade wordt dan meestal ondergebracht onder ‘aantasting in de persoon’.