Terug naar overzicht
Marijke van Veenen Marijke van Veenen
± min

Doen verzekeraars het echt beter bij letselschade?

Verzekeraars wikkelen bijna 92 procent van alle verkeersletselzaken binnen de streeftermijn van twee jaar af, aldus het Verbond van Verzekeraars. Bij de vorige meting in 2010 was dat nog 90 procent. Dat blijkt uit een diepteanalyse die Eiffel vorig jaar deed naar de toepassing van de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL).

De GBL werd in 2006 geïntroduceerd en heeft als belangrijkste doel dat letselschade zaken snel en zorgvuldig worden afgewikkeld. De code is bedoeld voor iedereen die beroepsmatig betrokken is bij de behandeling van letselzaken, zoals verzekeraars, belangenbehartigers, schaderegelaars, schadebehandelaars en arbeidsdeskundigen. Voor alle verzekeraars die lid zijn van het Verbond, is de code bindend verklaard.

Whiplash grootste boosdoener
In de GBL staat dat de streeftermijn voor de afwikkeling van een letselschade twee jaar is. In 2010 gaven het Personenschade Instituut van Verzekeraars (PIV) en het Verbond van Verzekeraars bureau Eiffel opdracht om te onderzoeken of verzekeraars die termijn bij verkeersletselzaken goed naleven. In 2012 deed Eiffel een tweede diepteanalyse. Daaruit blijkt dat na twee jaar 8,4 procent van de zaken nog openstaat; bij de vorige meting was dat tien procent. Van de nog openstaande zaken zijn whiplash-/nekklachten de grootste ‘boosdoener’ (40 procent); op nummer twee staan fracturen (29 procent). In de meeste openstaande schaden (58 procent) ontstaat de vertraging in de ‘medische fase’, gevolgd door vertraging tijdens het vaststellen van de omvang van de schade (30 procent).

Verbeterpunten In de diepteanalyse is ook bekeken of en zo ja, hoe zaken sneller kunnen worden afgewikkeld. De meeste ‘winst’ kan volgens Eiffel in de schadevaststellingsfase worden gehaald, omdat de schadebehandelaar daarin niet altijd voldoende initiatief neemt om zelf een regelingsvoorstel te doen. Ook kan de schadebehandelaar volgens de onderzoekers vaker kiezen voor een pragmatische insteek, door niet alleen te focussen op de schadetechnische aspecten.

Het Verbond en het PIV zijn blij met de uitkomsten. “De analyse laat zien dat de resultaten zijn verbeterd. Natuurlijk behoeft die laatste 8,4 procent nog wel de nodige aandacht, want iedere onnodig openstaande zaak na twee jaar is er één te veel, maar de uikomsten bieden daarvoor een belangrijk aanknopingspunt”, aldus PIV-directeur Theo Kremer. Beleidsadviseur Ernst Pompen van het Verbond vult aan dat uit de analyse ook blijkt dat er altijd een ‘harde kern’ van zaken is die niet binnen twee jaar kan worden afgewikkeld. “Dan gaat het bijvoorbeeld om zaken waar nog geen medische eindtoestand is vastgesteld. Denk aan gebitsschade bij kinderen die pas na volgroeiing van het kind kan worden hersteld. Ook kunnen zaken nog in behandeling bij een rechter zijn.” Beiden hopen dat de nieuwe GBL 2.0-versie winst oplevert. De code is in 2012 geheel herzien en bestaat niet meer uit twintig beginselen, maar uit tien gedragsregels, zodat de code beter aansluit op de letselschadepraktijk. Daarnaast is er een uitgewerkte medische paragraaf toegevoegd, die veel tijdwinst kan opleveren.

Bron: Verbond van Verzekeraars